Noam Chomsky geeft de komende dagen drie lezingen in Nederland. Alle drie zijn ze zo ontzettend uitverkocht dat de lezing die hij vandaag geeft in de Westerkerk in Amsterdam ook integraal via internet wordt uitgezonden en op groot scherm wordt vertoond in diverse Nederlandse steden. Inmiddels 83 jaar en nog altijd de briljante taalkundige en een van de meest inspirerende politiek filosofen ooit.
“Arguably the most important intellectual alive.”
NYTimes Book Review
KIJK HIER VANAF 14:50 LIVE
Wikipedia over Noam
Chomsky beschrijft zichzelf als iemand die “meelift op de traditie van het anarchisme“. Hij is van mening dat alle autoriteit en hiërachie op rechtmatigheid moet worden onderzocht, en zo nodig bestreden. In zijn anarchisme is Chomsky pragmatisch; hij geeft dikwijls de voorkeur aan staatscontrole over economische processen waar deze, in zijn optiek, democratischer is dan volledige vrijheid voor bedrijven. Ook is hij, met enige reserves, voorstander van parlementaire democratie. Wegens zijn radicale opvattingen is Chomsky in de Verenigde Staten een controversieel figuur.
Chomsky merkt zelf op dat zijn wetenschappelijke werk en zijn politieke opvattingen hooguit op een zeer abstract niveau verwant zijn; beide zijn evenwel gekoppeld aan zijn cartesisch-humanistische mensbeeld.
De politieke stromingen waar Chomsky zich het meeste bij thuisvoelt zijn het libertarisch socialisme en het anarchosyndicalisme. Hij noemt zich socialist, maar voelt ook sterke verwantschap met het klassieke liberalisme. Het idee van de homo economicus stuit hem tegen de borst: Chomsky beschouwt dit idee als een vertekening van de ideeën van Adam Smith, die hij als een antiautoritaire voorganger beschouwt. Uit de werken van Smith en Humboldt destilleert hij een fundamentele kritiek op het kapitalisme.
Chomsky liet zijn nationaliteit zijn oordeel niet beïnvloeden. Hij beschouwde de Vietnamoorlog en de acties tegen het Sandinistische bewind in Nicaragua als terrorisme. Hij redeneerde dat met de standaarden die de VS hanteren, landen als Nicaragua en Joegoslavië het recht hebben de Verenigde Staten te bombarderen. Na de aanslagen op 11 september 2001 is de interesse voor Chomsky’s werken weer toegenomen. Naar aanleiding van de aanslagen schreef hij 9/11 en later Hegemony or Survival (in het Nederlands vertaald als De Arrogantie van de Macht). In beide boeken spreekt Chomsky zich zeer kritisch uit tegenover de Verenigde Staten.
Bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2004 gaf Chomsky aan John Kerry te steunen. Dit kwam hem op kritiek uit linkse hoek te staan. Chomsky verklaarde daarop dat het eerder een stem tegen Bush dan voor Kerry zou zijn, en hij noemde Kerry een “Bush light”.
Ideologie en de rol van intellectuelen
Bij zijn politieke analyses maakt Chomsky gebruik van zo veel mogelijk openbare, officiële bronnen; veelal zijn dit (al dan niet uitgelekte) rapporten uit de Amerikaanse politiek en ambtenarij. Hij roemt de Amerikaanse open samenleving die hem deze bronnen beschikbaar stelt, maar maakt zich zorgen over wat hij ‘het probleem van Orwell‘ noemt: hoe komt het dat we zo weinig weten, terwijl er zo veel informatie beschikbaar is?
In diverse van zijn geschriften analyseert Chomsky de rol van de intelligentsia in westerse maatschappijen, met name de VS, waarbij hij een groot gebrek aan kritische reflectie ziet. Intellectuelen vormen volgens Chomsky een “seculiere priesterkaste”: journalisten, academici, “deskundigen” (so-called “experts”) etc. zijn de verdedigers van de kapitalistischeideologie, waarmee ze dezelfde rol vervullen als priesters in oudere maatschappijen. Chomsky’s definieert ideologie als de morele rechtvaardiging voor de daden van de heersende klasse.
Dit staat in schril contrast met de taak van de intellectueel zoals Chomsky die ziet. Intellectuelen, die vrijgesteld zijn van lichamelijke arbeid en op kosten van de samenleving een opleiding hebben genoten, moeten de samenleving dienen door een kritische en rationele analyse te maken van de politiek. Hierbij moet de eigen overheid het eerste mikpunt zijn, omdat men daar de meest directe verantwoordelijkheid voor draagt en er de meeste invloed op heeft. Chomsky’s politieke geschriften zijn daarmee gericht op intellectuelen en activisten, niet op machthebbers, omdat de laatsten te veel in het systeem van de macht opgesloten zitten: ze zijn niet moreel incapabel, maar moreel handelen zou voor hen simpelweg een verlies aan invloed betekenen.
Een belangrijk kenmerk van ideologie in het westen is, volgens Chomsky, dat in het publieke debat de verschillen binnen bepaalde grenzen zo fel mogelijk wordt gehouden, waardoor de werkelijke ideologische keuzes ontkend worden. Als voorbeeld geldt het debat over de Vietnamoorlog tussen “haviken” die dachten de oorlog te kunnen winnen en “duiven” die hem als bij voorbaat verloren beschouwden. De mening van Chomsky, en van een groot deel van de vredesbeweging, dat de oorlog moreel niet gerechtvaardigd was, werd door de New York Times nooit gepubliceerd. In samenwerking met de econoom Edward S. Herman bouwde Chomsky zijn ideeën over de werking van media uit tot het propagandamodel, o.a. beschreven in hun gezamenlijk geschreven boek Manufacturing Consent.

